Anesthesie – Monitoring

Monitoring van reflexen en andere indicatoren voor anesthesiediepte.

Anesthesiediepte kan beoordeeld worden aan de hand van verschillende parameters :

  • Reflexen
  • Spiertonus
  • Pupilgrootte en positie van het oog
  • Hart- en ademhalingsfrequentie
  • Reactie op chirurgische stimulatie

zijn handige richtlijnen om te bepalen hoe diep of hoe licht uw huisdier in slaap gedaan is.

Reflexen

Alle gezonde, bij bewustzijnde dieren vertonen voorspelbare reacties op bepaalde types van prikkels via reflexen. Bijvoorbeeld de hoestreflex waarbij het dier reageert op de aanwezigheid van vreemd materiaal in de luchtweg door krachtig te hoesten. Deze reacties helpen het dier zich te beschermen tegen schade. Deze beschermende reflexen worden progressief onderdrukt bij toenemende diepte van anesthesie zodat het dier nog maar weinig tot geen reacties zal vertonen bij het uitlokken van een prikkel. De reflexen welke gewoonlijk nagegaan worden in onze kliniek zijn de ooglidreflex, de corneareflex, de slikreflex en de terugtrekreflex.

  • Ooglidreflex
    De ooglidreflex, het sluiten van de oogleden bij aanraking van de mediale of laterale ooghoek, oogleden of wimpers, blijft aanwezig tijdens de anesthesie. Dit is ook afhankelijk van het gebruikte anestheticum.
  • Corneareflex
    Als algemene regel geldt dat de corneareflex, het sluiten van de oogleden bij aanraking van de cornea of het hoornvlies, steeds positief is bij chirurgie.
  • Slikreflex
    De slikreflex keert spontaan terug bij ontwakende dieren. Dieren onder lichte anesthesie slikken frequent; deze reflex gaat verloren bij matige anesthesie en wordt herwonnen tijdens de recovery. Zoals eerder vermeld is de terugkeer van de slikreflex het moment waarop de endotracheale tube verwijderd mag worden.
  • Terugtrekreflex
    De terugtrekreflex wordt uitgelokt door het dier te knijpen in zijn teen of teenkussen en na te gaan of het buiten bewustzijn zijnde dier als dan niet zijn poot buigt of niet.

Alle rassen hebben hun eigen problemen tijdens de anesthesie, wij zorgen voor een op maat geschreven anesthesie protocol voor uw te opereren dier.

Spiertonus

De spiertonus is ook een belangrijke parameter voor het inschatten van de anesthesiediepte. Met toenemende diepte worden de skeletspieren meer ontspannen en bieden ze weinig weerstand bij beweging. Tot de spieren welke gemakkelijk beoordeeld kunnen worden behoren de kauwspieren, welke de kaaktonus controleren. De kaaktonus wordt beoordeeld door het proberen wijd te openen van de bek en door het inschatten van de graad van passieve weerstand.

Een andere manier om de spiertonus te beoordelen is het proberen te plooien en te strekken van de voorpoot ter hoogte van de elleboog en de carpus. Anaaltonus geeft ook een indicatie van spierontspanning en kan beoordeeld worden aan de grootte van de anaalopening.

Enige graad van spierrelaxatie is gewenst voor de meeste procedures, maar extreme spierontspanning resulterend in een slappe kaaktonus is onnodig en kan wijzen op een te diepe anesthesie. De graad van spierrelaxatie welke geobserveerd wordt bij de patiënt is niet alleen afhankelijk van de diepte van anesthesie, maar heeft ook te maken met de toegediende anesthetica: sommigen promoten spierrelaxatie, anderen gaan gepaard met een toegenomen spierspanning.

Oogpositie en pupilgrootte

De positie van de oogbol, de grootte van de pupil en de respons van de pupil op licht zijn ook parameters welke aangewend kunnen worden voor het inschatten van de anesthesiediepte.   De oogbal bevindt zich gewoonlijk centraal tijdens de beginnende anesthesie, naarmate de patiënt dieper in anesthesie gaat zal de oogbol dikwijls naar ventraal gericht zijn. Ook hier weer is het afhankelijk van het aangewende anestheticum.

De patiënt onder anesthesie bezit gewoonlijk gedilateerde of wijde pupils in de beginnende anesthesiediepte; naarmate de chirurgische ingreep vordert zal de pupil zeer uitgesproken zijn. Het vermogen van de pupil om samen te trekken in antwoord op een lichtprikkel neemt af bij toenemende anesthesiediepte en is gewoonlijk vertraagd bij het bereiken van de chirurgische fase.

Hart- en ademhalingsfrequentie

Beide parameters hebben de neiging om af te nemen wanneer het dier de diepere niveau’s van anesthesie binnentreedt, en te stijgen bij lichtere anesthesie. Interpretatie van beide dient echter te gebeuren met de gedachte in het achterhoofd dat deze parameters afhankelijk zijn van nog andere factoren dan alleen van de anesthesiediepte.

Reactie op chirurgische stimulatie

Dieren welke pijn zouden waarnemen reageren tijdens de operatie door een verhoogde hartslag of bloeddruk. De anesthesist moet deze tekens niet noodzakelijk interpreteren als een teken dat de anesthesie onvoldoende diep is, tenzij de toename in hartfrequentie aanzielijk is. Kleine veranderingen in hartfrequentie gedurende chirurgie worden als normaal beschouwd, in feite zou de afwezigheid ervan kunnen wijzen op een onnodige te diepe anesthesie. Toegenomen ademhaling en tekens van vrijwillige beweging door de patiënt zijn evenwel een significant teken dat de anesthesie onvoldoende diep is en er sprake is van pijngewaarwording. Ook tranen, speekselen en zweten wijzen erop dat het dier pijn gewaar wordt en dat de anesthesiediepte onvoldoende is.

Comments are closed.