Witte bloedcellen : ontstaan en functie

Algemene informatie

De hematopoëse is een proces waarbij uit een multipotente stamcel in het rode beenmerg bloedcellen gevormd worden.

Rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes hebben maar een beperkte levensduur. Zij dienen daarom voortdurend vervangen te worden door nieuwe cellen. De stamcellen in het rode beenmerg zorgen hiervoor. Deze stamcellen hebben in zich nog de mogelijkheden om uit te rijpen (te differentiëren) in de verschillende soorten bloedcellen.

Dit proces verloopt als volgt: Onder invloed van groeifactoren gaan de stamcellen zich delen. Na de celdeling zal één cel stamcel blijven (deze zal zich na een tijd weer opnieuw delen), terwijl de andere cel verder zal gaan uitrijpen. De uitrijpende cellen in het beenmerg kunnen in drie soorten verdeeld worden: voorlopers van de witte bloedcellen, voorlopers van rode bloedcellen, en voorlopers van bloedplaatjes.

De verdere uitrijping van deze cellen heet naar de cellen die het uiteindelijke resultaat zullen zijn :

  1. Leukopoëse, de vorming van leukocyten of witte bloedcellen
  2. Erytropoëse, de vorming van erytrocyten of rode bloedcellen
  3. Thrombopoëse, de vorming van thrombocyten of bloedplaatjes

Wanneer een voorlopercel steeds verder in het proces komt, rijpt hij steeds verder uit, en zijn er steeds minder verschillende soorten bloedcellen als eindresultaat mogelijk.

Uitleg in detail : Witte bloedcellen

Witte bloedcellen zijn kleurloos en groter dan rode bloedcellen. Ze hebben wel een celkern en dus erfelijk materiaal. Een microliter bloed bevat ongeveer 5.000 tot 10.000 witte bloedcellen.

Witte bloedcellen worden ook wel leukocyten genoemd, in feite een verzamelnaam voor diverse cellen.

We onderscheiden drie groepen :

  1. Lymfocyten (zoals B-cellen, plasmacellen en T-cellen)
  2. Monocyten (macrofagen)
  3. Granulocyten (neutrofielen, eosinofielen en de basofielen)

Bij een infectie neemt het aantal witte bloedcellen in het bloed toe.

Witte bloedcellen hebben twee hoofdfuncties :

  1. Ze verdedigen het lichaam tegen infecties met lichaamsvreemde stoffen en indringers. Ze zijn daardoor van cruciaal belang voor de afweer tegen ziekteverwekkende micro-organismen, zoals bacteriën, virussen, parasieten, schimmels en gisten.
  2. Ze helpen bij het opruimen van afgestorven cellen in het lichaam.

De verschillende soorten witte bloedcellen kunnen we ook onderverdelen door aan- of afwezigheid van granulen in het cytoplasma van de cel.

  • granulocyten: Bij deze soort zijn er granulen aanwezig, en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de basofiele granulocyten, de neutrofiele granulocyten en de eosinofiele granulocyten.
  • agranulocyten: Bij deze soort zijn er geen granulen aanwezig, en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de lymfocyten, de monocyten en de macrofagen.

De verschillende soorten witte bloedcellen hebben elk hun eigen specifieke functies, welke zij over het algemeen uitvoeren door middel van celvraat (fagocytose), het lozen van pakketjes met actieve stoffen (degranulatie) of het presenteren van antigenen aan andere cellen, die op hun beurt cellen aanzetten tot het produceren van antilichamen.

 

soort afbeelding diagram percentage diameter (μm) Beschrijving
Neutrofielen 65% 12-15 Neutrofiele granulocyten zijn verantwoordelijk voor de eerste afweer tegen bacteriële infectie en andere ontstekingsreacties. Activiteit van neutrofiele granulocyten en hun afsterven is de bron van pusvorming.
Eosinofielen 4% 12-15 Eosinofiele granulocyten bestrijden voornamelijk parasitaire infecties en een verhoging van de eosinofielen is dan ook een indicatie van een infectie met een parasiet of voor een IgE gemedieerde immuunreactie.
Basofielen <1% 12-15 Basofielen zijn de hoofdverantwoordelijken voor allergische- en antigeenrespons door het vrijmaken van histaminen die ontsteking veroorzaken.
Lymfocyten 25% 6-18 Lymfocyten zijn onder andere de T-lymfocyten (waaronder T-helpercellen en de cytotoxische T-cellen, de B-lymfocyten, de Natural Killer cellen en de plasmacellen (die in feite geactiveerde B-lymfocyten zijn). Ze spelen een rol bij de specifieke immuunrespons.
Monocyten 6% 12-20 Monocyten hebben een soortgelijke stofzuigerfunctie (fagocytose) als neutrofielen maar leven veel langer waarmee ze een geheugenfunctie vervullen; ze presenteren pathogenen aan de T-cellen opdat deze opnieuw herkend en vernietigd kunnen worden. Ook in de reactie op antilichamen spelen monocyten een rol.
Macrofagen (zie boven) (zie boven) Monocyten worden ook wel macrofagen genoemd als ze vanuit het bloed naar andere weefsels gemigreerd zijn.