Hoe diagnosticeren we een hernia?

Om een hernia te diagnosticeren hebben we een drie tal onderzoekstechnieken : Myelografie, CT-scan en MRI

Myelografie

Myelografie wilt zeggen dat we het ruggemerg gaan zichtbaar maken door een contraststof in te spuiten langs het ruggemerg. Voor deze procedure moet de patient uiteraard volledig in slaap.Eenmaal in slaap wordt de nek of de lendenstreek geschoren en ontsmet zoals voor een operatie. De naald wordt geplaatst thv de ruggenmergvliezen waarlangs de contraststof ingespoten wordt.


Tommy is geschoren en de naald is ingebracht in de Cisterna Magna

De contraststof die ingespoten wordt moet op lichaamstemperatuur zijn om geen reacties te hebben als we de vloeistof naast het ruggemerg gaan spuiten.
Wij gebruiken Omnipaque 300 mgI/ml (0.3 ml/kg voor de nek, 0.4 ml/kg voor de rug).
Eenmaal alles in gereedheid gebracht moeten we de ruggemergvliezen aanprikken en de contraststof langzaam inspuiten.
Daarna wordt de patient schuin gelegd zodat de contraststof zich langs het ruggemerg kan verspreiden.

   
Tommy ligt schuin om de contraststof te laten verspreiden

Er worden nu radiografieen genomen waarop het ruggemerg gevisualiseerd is. Op deze radiografieen kunnen we dan het ruggemerg gaan beoordelen.


Een hernia in de rugwervels bij een maltezer.

CT-scan

Hoe werkt de Ct-scan?

Het principe is tamelijk eenvoudig. Aan de ene kant van de patiënt bevindt zich een röntgenbron, aan de andere kant een röntgendetector.
De bron geeft een smalle bundel straling af die in een rechte lijn door de patiënt heen gaat en door alle weefsels waardoorheen hij passeert wordt verzwakt. De sterkte van de resterende straling wordt gemeten door de detector.
Dan worden de bundel en de detector heel iets verschoven en wordt een nieuwe meting gedaan.
Uiteindelijkheid krijgt men een groot aantal metingen waarbij van iedere meting precies bekend is waar de detector en de bron zich bevonden.
Nu maakt de computer een 2-dimensionaal array aan, een denkbeeldig raster van eenheidscellen, b.v. een vierkant van 100 x 100 cellen die allemaal overeenkomen met een stukje weefsel van 2x2 mm in het vlak waarin gemeten is. Een manier om hieruit de oorspronkelijke röntgendichtheden van de weefsels terug te berekenen is het terugprojectie-algoritme : van een meting wordt de dichtheid genomen, en gekeken door hoeveel en welke cellen deze straal gepasseerd is.
Door al deze berekeningen aan elkaar te koppel krijgen we als het ware een afgietsel van het te onderzoeken object.

Een CT-scan maakt dus dunne schijfjes van het te onderzoeken object. Zo kunnen we door met een contraststof te werken gemakkelijker aandoeningen diagnosticeren.

Hoe gaat dit in zijn werk bij dierenkliniek Causus?

Uw huisdier komt binnen op een afgesproken tijdstip en krijgt eerst een prikje om te suffen, daarna wordt deze volledig in slaap gedaan.
De CT-scan wordt onmiddellijk gedaan en de uitslag wordt besproken met U.
We werken meestal met een contraststof en daarom houden we de dieren liefst een nachtje over om riscio's te vermijden.

De prijs bedraagt ongeveer 250€ plus de verdoving en de contraststof.

Enkele voorbeelden :


Hier ligt een van onze patienten met een vermoedelijke hersentumor onder de CT-scan. Het kruis geeft de zone weer waar er gescand wordt.


Een Ct-scan van een Herder met een vier voudige degenartieve Hernia.

MRI-scan

Bij deze afbeeldingstechniek komt de patiënt in een lange tunnel te liggen die een sterke magneet bevat, waarmee het water in de weefsels gemagnetiseerd wordt. Dat berust hierop dat in het weefsel de wateratomen (eigenlijk zijn het de waterstofatoomkernen) zich als miniatuurmagneetjes kunnen gedragen. Verder worden vanuit de scannertunnel radiogolven uitgezonden van een golflengte die de watermagneetjes als het ware doen meetrillen (men noemt dat resoneren) waarbij ze energie uit de radiogolven in zich opnemen.
Als de radiogolf wordt gestopt wordt de eerder opgenomen energie weer uitgezonden als een signaal waarin allerlei bijzonderheden van het weefsel zijn vervat. Deze zwakke signalen worden door een gevoelige radioantenne opgevangen. Uit deze signalen kan de computer van het apparaat de samenstelling van de verschillende weefsels berekenen en ze uittekenen in de vorm van een doorsnede (de MRI-scan).
Gebieden waar geen water is, zoals lucht of bot, geven geen signaal en zijn zwart op de scan. Ook hangt het signaal af van de duur van de perioden waarin de radiogolven worden uitgezonden, omdat hiermee bepaalde kenmerken van de magnetisatie (T1 en T2) tot uiting worden gebracht.
Zo kan men zogenaamde T1-gewogen beelden verkrijgen waarin de eigenschap T1 de overhand heeft; op deze beelden verschijnen liquor (hersenvocht) en waterrijke structuren donker. Daarentegen zijn liquor en waterrijke structuren op T2-gewogen beelden juist wit. Door de keuze van de T1- of T2-weging kan men van de weefsels bepaalde aspecten zichtbaar maken. MRI-beelden zijn daarom zeer gedetailleerd in het vertonen van de verschillende weefsels, maar een nadeel is dat het bot zelf niet zichtbaar is (wel het beenmerg), omdat het bot bijna geen water bevat.


Een MRI-scan van een C3-C4 hernia bij een Franse Bulldog