lensluxatie bij dieren

inleiding

De lens bevindt zich achter de iris en wordt door een vliesje volledig omkapseld (lenskapsel). Als de lens normaal helder is, dan zien we ze niet echt zitten met het blote oog en dan lijkt de pupil een zwart cirkeltje in het midden van het oog.

De lens wordt op zijn plaats gehouden d.m.v. kleine vezeltjes, die zonules worden genoemd. Deze vezeltjes verlopen van de lensrand, deze rand wordt ook wel equator genoemd, tot aan het corpus ciliare, dit is een kleine verdikking die zich achter de iris bevindt.
Langs de achterkant van de lens zit er een gelatineuze massa, ook wel vitreum genoemd. In dit vitreum is langs de voorkant een soort van uitholling waarin de lens juist past. Deze holte noemen we de patellaire fossa.
In het oog wordt heel de tijd nieuw oogkamervocht gevormd. Continu wordt dit vocht ook weer afgevoerd. Dit gebeurt langs de filtratiehoek , die begint tussen de basis van de iris en het hoornvlies.
Achteraan in het oog bevinden zich de retina of het netvlies en de uitmonding van de oogzenuw in het oog, ook wel papil genoemd.

de reden waarom een lens niet op zijn plaats blijft

Een normale lens zit achter het regenboogvlies in een uitsparing van het vitreum. Ze wordt op haar plaats gehouden d.m.v. lensvezels die vanaf de rand van de lens vertrekken tot aan het corpus ciliare.

Bij bepaalde hondenrassen, zoals de Tibetaanse Terriers, zouden deze ophangbanden van de lens te zwak zijn.
Dit heeft men bij hen microscopisch ook kunnen aantonen. Het zou vooral om de diep gelegen ophangbanden gaan. Als de spanning in deze ophangbanden lager is, dan heeft dit verschillende dingen tot gevolg.
Vooreerst zou de lens iets boller zijn. Daarom zou de onderzoeken de rand van de lens te zien bij oogcontrole van een verwijde pupil. Momenteel wordt onderzocht of het zien van de rand van de lens bij oogonderzoek een waarde zou hebben in verband met het kunnen voorspellen van een latere lensluxatie.


Een tibetaanse terrier met een luxatie van de lens naar de voorste oogkamer

Een ander gevolg van de zwakkere ophangbanden is dat de lens iets losser ligt in de holte vooraan in het vitreum (patellaire fossa). Bij beweging van de kop of van de oogbol zelf beweegt de lens mee maar ten gevolge van de traagheid (inertie) beweegt ze nog wat langer na. Dit zou dan verder leiden tot het scheuren van de zonules die de lens normaal mee op hun plaats houden.
De lens begint meer los te liggen in de uitholling van het vitreum. We spreken dan van een subluxatie. De lens kan zich iets verplaatsen, en meestal gebeurt dit naar onder toe. Zodoende wordt er aan de bovenste rand van de lens een spleet zichtbaar wordt, langs waar we rechtstreeks op het netvlies kunnen zien. Deze spleet heeft de vorm van een maansikkel. Als we dit zien dan gebruiken we de term aphacic crescent.

Enkel vanaf het moment dat de subluxatie zeer uitgesproken is, meet men een drukstijging in het oog. Hieruit kunnen we besluiten dat de drukstijging in het oog optreedt na subluxatie en niet omgekeerd. Dus het is niet eerst een drukstijging en dan pas later een (sub)luxatie.

Wat gebeurt er als de ophangbanden volledig doorscheuren?

In dat geval kan de lens niet meer op haar plaats gehouden worden en kantelt ze, dit noemen we een lensluxatie.

Er zijn drie mogelijkheden:

  • ofwel kantelt ze doorheen de pupil en komt dan volledig in de voorste oogkamer te liggen: dit is dan een "anterior lensluxatie".
  • ofwel beweegt ze naar voor maar blijft toch achter de iris en duwt zodoende de iris meer naar voor, dichter naar het hoornvlies toe.
  • ofwel kantelt ze naar achter en als de gelatineuze massa achter de lens (het vitreum) nog meer vloeibaar is geworden, dan zakt de lens naar de bodem in de achterse oogkamer: dit is een "posterior lensluxatie"

We zien meer luxaties van de lens naar voor dan naar achter, soms is het zelfs mogelijk dat de lens nu eens vooraan en dan weer achteraan in het oog zit.

Wat zijn de gevolgen voor uw hond?

Als de lens naar voor kantelt en tegen het hoornvlies wrijft, dan beschadigt ze de cellen die de binnenste laag vormen van dit hoornvlies. Dit veroorzaakt dan een witting, meestal in het midden of iets meer naar onder toe in het hoornvlies: cornea-oedeem.

Als de gelatineuze massa in de achterste oogkamer meer vloeibaar is geworden dan kunnen er sliertjes hiervan in de voorste oogkamer terechtkomen. Uiteindelijk veroorzaken ze een verstopping van de filtratie-hoek, met een stijging van de oogdruk tot gevolg: glaucoom.
In dat geval wordt het hoornvlies in meer of mindere mate ook wit door het oedeem, maar de slijmvliezen zijn hierbij ook erg gestuwd (rood).
De hond heeft pijn, traant meer, wrijft soms met oog over de mat en is stiller dan normaal.

Als de lens vast komt te zitten in de pupil (pupillaire blok) dan kan er ook snel een drukstijging optreden in het oog, hetzelfde geldt voor een luxatie in de voorste oogkamer. Als deze druk een tijd veel te hoog blijft dan gaat de oogbol uitgerokken worden en zodoende vergroten (bufthalmos).

Behandeling van lensluxatie

  • Vooreerst wordt het oog uitgebreid onderzocht om te bepalen of er al dan niet een aantasting is van het gezichtsvermogen. Als de lensluxatie al een tijd bestaat en als een uitgebreide drukstijging langer dan 3 dagen bezig is, dan is dit heel ongunstig voor het gezichtsvermogen.
  • Als we het netvlies bekijken en we zien hier beschadiging van de uitmonding van de oogzenuw dan zal het gezichtsvermogen zich nooit meer herstellen.
  • Als de lensluxatie recent is en het netvlies er nog goed uitziet, dan zijn de kansen groter om het gezichtsvermogen te behouden d.m.v. een chirurgische ingreep. In dit geval wordt gans de lens samen met het lenskapsel verwijderd (intra-capsulaire lensextractie). Meestal moet er ook nog een deel van de gelatineuze massa die achteraan het lenskapsel vastzit, mee verwijderd worden (vitrectomie).
  • Als de lens enkel gesubluxeerd is, ofwel gekanteld ligt in de achterste oogkamer, dan worden medicamenten gegeven om de pupil klein te houden. Zo wordt getracht om de lens achteraan in het oog te houden. Ook wordt medicatie bijgegeven om de oogdruk onder controle te houden. Regelmatige hercontroles zijn dan een noodzaak. Uitzonderlijk wordt de lens al preventief weggenomen bij het zien van de eerste tekenen van een subluxatie.
  • Indien het oog blind is en daarbij nog een te hoge oogdruk heeft, dan zijn er 2 mogelijkheden.
    • Ofwel kan besloten worden om een inspuiting te geven in het oog (onder volledige verdoving) om het orgaantje dat vocht aanmaakt in het oog stil te leggen en zodoende de druk te doen dalen.
    • Een andere meer ingrijpende chirurgie is om desnoods het oog te verwijderen (enucleatie). Enkel de lens wegnemen in deze gevallen zal de oogdruk niet meer doen dalen.