Hoe localiseren we waar de hernia precies zit?

Om de juiste plaats van een hernia te localiseren kunnen we een aantal testen doen. Deze testen gaan van zeer eenvoudige tot ietwat moeilijker te interpreteren testen.

We gaan het ruggemerg verdelen in een aantal segmenten volgens de zenuwbanen. We hebben het cervicale (nek) het thoracale (rug) het lumbale segment (lenden) en het sacrale (staart) segment.

C1 - C5 : het neksegment
C6 - Th2 : het segment boven de schouder van de hond
Th3 - L3 : het rug segment
L3 - S3 : halfweg lenden en de bekkenwervels

Door het testen van een aantal reflexen kunnen we het probleem ongeveer gaan localiseren.

Er zijn een 4tal belangrijke reflexen die getest worden :

Houdingsreflexen, spinale reflexen, atrofie en  tonus van de spieren en de pijnreflexen.

houdingsreflex

De belangrijkste houdingsreflex is het testen van de proprioceptie of het dubbeltreden

De kleine hersenen ontvangen signalen van de motorische schors over het 'bewegingsplan', met andere woorden over hoe de beweging moet gaan verlopen. Tegelijkertijd geven spieren, pezen en gewrichten informatie door over de manier waarop de beweging verloopt, dus over houding, richting, kracht of snelheid. Bijvoorbeeld: hoe staat mijn voet nu op de grond of zit ik op mijn hurken.?
Microsensoren, ook wel proprioceptoren genoemd, houden namelijk op lokaal niveau in spieren, pezen en gewrichten de hele gang van zaken in de gaten. Ze koppelen de reacties op het bewegingsplan (dit noemen we proprioceptieve prikkels) terug naar de kleine hersenen. De terugkoppeling loopt via de sensorische zenuwen.
Proprioceptie (uit het Latijn) betekent zelfwaarneming.

De kleine hersenen vergelijken opdracht en resultaat en sturen via de hersenstam en het ruggenmerg signalen naar de spieren om de spierspanning bij te stellen. Ook sturen ze via de thalamus signalen naar de motorische schors om het 'bewegingsplan' aan te passen.
Dit heen-en-weer reizen van signalen gaat net zo lang door totdat de hele beweging soepel en gecoördineerd uitgevoerd wordt (= de fijne motoriek). Dat voorkomt dat we bijvoorbeeld bij het omslaan van een pagina deze uit het boek scheuren of dat we een glas fijnknijpen.

Met de vinger naar iemand wijzen is niet zo'n erg ingewikkelde handeling, het is een simpele oog-hand coördinatie. Toch zorgt dit al voor een drukke uitwisseling van signalen tussen verschillende delen van hersenen en ruggenmerg.
Complexere situaties waarbij meerdere zintuigen en meerdere handelingen betrokken zijn leiden tot een doorseinen van signalen langs heel wat meer routes.
Bijvoorbeeld: je rijdt in de auto op de weg, je hoort een klap, ziet remlichten oplichten, je moet uitwijken en dan snel remmen. En dat alles in een paar seconden. Zintuigen én motorische en sensorische zenuwen moeten in dat geval in korte tijd heel wat verschillende 'soorten' informatie doorgeven die verwerkt en gecoördineerd moet worden.....iedere 'soort' op de juiste plek. En daarna moet feedback gegeven worden en tot actie worden overgegaan.

Bij dieren is dit gemakkelijk te testen door de het voetje van de hond te laten dubbeltreden. Als de hond het voetje direct terug zet dan is er geen proprioceptiestoornis en is een ruggemergprobleem weinig waarschijnlijk. Als hij dit niet kan dan is er wel een proprioceptiestoornis en kunnen we ervan uit gaan dat er een ruggemergprobleem is.

Andere houdingsreacties zijn huppelen en plaatsingsreacties (optisch en taktiel)

Spinale reflexen

Een spinale reflex is een reflex die we gebruiken om te zien in welk ruggenmergsegment het letsel gelegen is.
Verzwakt of afwezig zijn van een reflex wijst op het voorkomen van een functiestoornis in de corresponderrende reflex boog. De reflexboog bestaat uit een receptor (vb een druksensor in de teen) - een aanvoerende zenuw in naar het ruggenmerg - het ruggenmergsegment - de afvoerende zenuw - effektor (vb een spier die samentrekt als de sensor druk krijgt).

Bij de hond testen we een 4 tal spinale reflexen:

  • ECR Extensor Carpi radialis reflex
    • Ruggenmergsegment C6 – T2
    • Nervus Radialis
    • Musc Extensor Carpi radialis
  • Patella reflex
    • Ruggenmergsegment L3 – L5
    • Nervus Femoralis
    • Musc Quadriceps
  • Anus reflex
    • S1 – S3
    • Nervus Pudendus
    • Musc sfincter ani
  • Panniculusreflex
    • T2 – L1

Atrofie en tonus van de spieren

Hier gaan we de tonus en atrofie van de spieren testen waardoor we een idee krijgen of we met een hoger of lager motor neuron letsel te doen hebben.

Een hoger motor neuron letsel wilt zeggen dat het letsel VOOR de reflexboog zit, we zien voornamelijk hypertonie van de spieren (spastische verlamming)
Een lager motor neuron letsel wilt zeggen dat het letsel IN de reflexboog zit, we zien voornamelijk hypo of atonie van de spieren (slappe verlamming)

Pijnperceptie

  • Oppervlakkige pijn
    Enkel huidreceptoren, met naald in de huid prikken.
  • Diepe pijn
    Ook diepe receptoren van spieren, gewrichten en bot. Met klem knijpen.

Besluit :

Ruggemerg segment

 

 

 

Houdingsreflex voor

 

 

 

Spinale reflex voor

 

 

 

Houdingsreflex achter

 

 

 

Spinale reflex achter

 

 

 

C1 – C5

 

 

 

abnormaal

 

 

 

HMN

 

 

 

abnormaal

 

 

 

HMN

 

 

 

C6 – Th2

 

 

 

abnormaal

 

 

 

LMN

 

 

 

abnormaal

 

 

 

HMN

 

 

 

Th3 – L3

 

 

 

Normaal

 

 

 

No en aanwezig

 

 

 

abnormaal

 

 

 

HMN

 

 

 

L4 – S3

 

 

 

Normaal

 

 

 

No en aanwezig

 

 

 

abnormaal

 

 

 

LMN