Epilepsie bij honden

1. Wat is epilepsie?

Het herhaald optreden van toevallen, voorkomend bij mensen, honden en af en toe ook bij katten. De hersencellen wekken elektrische signalen op, geven deze door en ontvangen signalen van andere cellen. De te sterke signalen worden afgezwakt, en alle signalen worden in goede banen geleid. Bij een toeval is een kortdurend sterk signaal in staat om zich over de hersenen te verspreiden. Het kan niet voldoende worden afgezwakt. Vaak is er geen duidelijke oorzaak voor de toevallen. Het kan een afwijking zijn in de hersenen maar het zou ook een stofwisselingsziekte kunnen zijn. De toevallen herhalen zich met enige regelmaat, en de tijdsduur tussen de toevallen ligt tussen de 2 en 6 weken, maar natuurlijk kan het verschillen per hond.

2. Soorten epilepsie

Als men onderscheid maakt in de soorten epilepsie, dan maakt men een onderscheid in de oorzaak. Als er geen aanwijsbare oorzaak is dan spreekt men van echte of primaire epilepsie. Als er wel een aanwijsbare oorzaak is dan spreekt men van secundaire epilepsie. Bij secundaire epilepsie is het belangrijk om de oorzaak weg te nemen, en dit is dan dus ook het doel van de behandeling.

  • Primaire epilepsie

Komt regelmatig voor bij alle soorten honden, men vermoedt dan ook dat het erfelijk is. Teven kunnen tijdens de loopsheid meer toevallen krijgen.
De eerste toevallen doen zich voor tussen ½ jaar en 5 jaar. Het kan een eenmalige aanval zijn, maar over het algemeen wordt deze opgevolgd door een tweede. Dit kan soms maanden duren. Opvallend is dat de periode tussen de aanvallen in de loop van de tijd korter worden, waarna het min of meer constant wordt ( gemiddeld tussen de 2 en 6 weken). De ene hond zal een paar aanvallen per jaar kennen, de andere kan elke week een toeval hebben.
Tussen de aanvallen door is de hond “normaal” en er is niet echt een directe reden voor de aanvallen. Ze treden vooral op tijdens rust en in de eigen vertrouwde omgeving.

  • Secundaire epilepsie

Deze vorm van epilepsie begint vaak op een andere leeftijd, en is vaak aangeboren of op latere leeftijd verkregen. Toch kan ook deze vorm bij bepaalde rassen vaker voorkomen. Vaak is er een verband tussen het optreden van de toeval en de voeding, inspanning en/of opwinding. In de periodes tussen de aanvallen zal het dier afwijkend gedrag vertonen.

  • Partiële epilepsie

Dit is de gedeeltelijke epilepsie. Hierbij vertoont het dier gedragsafwijkingen zoals het naar vliegen happen, of het achter de eigen staart aan zitten. De elektrische prikkel verspreidt zich maar over een deel van de hersenen en dus treedt er geen bewusteloosheid op.

  • Gegeneraliseerde epilepsie

De electrische prikkel wordt over de hele hersenen verspreid, men noemt dit ook wel de ‘grand mal’. De hond zal omvallen, het bewustzijn verliezen, gevolgd door krampen van het hele lichaam. Dit is de meest voorkomende vorm bij dieren.

  • Atypische epilepsie

Hierbij is er sprake van een vorm die niet onder de andere vormen is in te delen.

3. Hoe ziet een aanval eruit?

Een aanval kan verschillen per hond, maar meestal krijgt een hond dezelfde soort aanvallen.
De gegeneraliseerde aanval verloopt over het algemeen in drie fasen:

  1. De aura of de inleiding tot een aanval.
    Tijdens de periode voor de aanval vertoont het dier afwijkend gedrag.
    Het is onrustig, aanhalig, heeft een rare blik in de ogen, het dier wil naar buiten (of juist naar binnen) en het dier is anders dan normaal. Deze inleidende fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren.

  2. De ictus of de eigenlijke aanval.
    Deze begint met het verlies van bewustzijn en het omvallen van het dier.
    Vervolgens treedt er een soort verstijving op door langdurig krampen van poten en lichaam, gevolgd door ontspanning met kortdurende krampen en komt het dier weer bij bewustzijn. De totale duur van de ictus bedraagt meestal maar enkele minuten hoewel dat heel lang kan lijken.
    Tijdens de ictus kan het dier urine en ontlasting verliezen, dit is niet afhankelijk van de ernst van de aanval. Een tongbeet komt bij honden niet voor.

  3. De post-ictale fase of de periode na de aanval.
    Na het bijkomen en overeind krabbelen zijn de meeste honden de 'kluts' kwijt. Verder kunnen ze geheugenverlies vertonen, slecht zien, moeite hebben met bewegen en hongerig en dorstig zijn. De post-ictale fase kan enkele seconden duren.
    Tijdens de post-ictale periode dient de hond voorzichtig te worden benaderd. Het dier weet immers soms niet waar het is, wie de eigenaar is en het lijkt blind. Een onverhoedse benadering zou dus tot een schrikreactie kunnen leiden en mogelijk tot onbedoelde agressie.

4. Behandeling

Een behandeling is pas zinvol als duidelijk is met welke regelmaat de aanvallen zich voordoen. Het heeft dan ook geen zin om na een eerste aanval meteen een behandeling in te stellen. Het kan immers bij één aanval blijven. Wij zijn geneigd om te behandelen als er meer dan één aanval per maand voorkomt bij de hond.
Een behandeling zal zelden tot resultaat hebben dat aanvallen volledig weg blijven. Het meest gunstige effect wordt bereikt als de tijd tussen de aanvallen toeneemt en de ernst van de aanvallen afneemt. Dit kan worden bereikt door de juiste dosering van medicijnen dat voor iedere hond afzonderlijk moet worden vastgesteld.
Pas als de tijd tussen de aanvallen bekend is kan men beginnen met de startdosering, deze blijft gedurende een bepaalde periode ongewijzigd om zo het effect van de behandeling te kunnen vaststellen. Naargelang het resultaat wordt de dosering bijgesteld. Het kan dus vrij lang duren voordat bekend is hoeveel tijd er gemiddeld tussen de aanvallen zit en of deze afnemen.

Wij beginnen altijd met fenobarbital en als er nog aanvallen zijn dan gaan we KBr bijgeven.

Een hond met epilepsie vraagt veel zorg en aandacht van de eigenaar. De juiste individuele dosering vraagt veel geduld en inzet. Maar als de hond eenmaal goed op de therapie reageert, geeft dat heel veel bevrediging.

Een goede behandeling zal tot gevolg hebben dat de periode tussen twee aanvallen toeneemt, dat de ernst van de aanvallen afneemt en ook dat de lengte van de aanvallen afneemt. Hoewel in eerste instantie de aanval als meest bedreigend wordt ervaren door de eigenaar, blijkt later de post-ictale periode nog vervelender te zijn. Vandaar dat het belangrijk is om de totale duur van de aanval door middel van een behandeling naar beneden te brengen.

5. Aandachtspunten bij een behandeling

  • Plotse wijzigingen in de behandeling, zoals het stoppen met de behandeling, het vergeten van een behandeling, het veranderen van de dosering of van het medicijn, moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit soort veranderingen kan het ontstaan van toevallen in de hand werken.
  • Het kan enige tijd duren voordat een hond goed is ingesteld.
  • Helaas zijn er ook honden die niet goed reageren op een behandeling. Gelukkig is dat maar zelden het geval.
  • Veranderingen in het dagelijks leefpatroon kunnen het optreden van toevallen in de hand brengen.
  • Een hond met epilepsie is gevoeliger voor bepaalde narcosemiddelen. Meld daarom altijd dat uw hond epilepsie heeft als een operatie plaats moet vinden.
  • Houd vanaf het eerste moment dat epilepsie bij uw huisdier is vastgesteld dagelijks een dagboek bij van de ernst en het verloop van toevallen en van bijzonderheden die u belangrijk vindt (medicijnen vergeten, medicijnen mogelijk uitgebraakt, veel bezoek gehad, hond was erg onrustig). Met een goed ingevuld dagboek is het effect van een behandeling beter te beoordelen. De dierenarts kan zo ook aandacht besteden aan factoren die bij uw hond mogelijk van invloed zijn op het ontstaan van een aanval.

6. Medicijnen bij epilepsie

Bij honden is slechts een beperkt aantal medicijnen bruikbaar voor de behandeling van epilepsie. Veel van bij de mens gebruikte middelen worden bij de hond zo snel opgenomen en uitgescheiden dat het praktisch niet mogelijk is honden ermee te behandelen.
Het meest gebruikte medicijn is fenobarbital , waaruit de werkzame stof langzaam vrijkomt.
Fenobarbital kan gedurende de eerste dagen van de behandeling sufheid en slaperigheid veroorzaken. Als dit na een paar dagen niet overgaat, is het verstandig de dosering te verlagen. Dieren die met fenobarbital worden behandeld gaan vaak ook meer eten, drinken en plassen.

Als er nog aanvallen zijn geven we bij de fenobarbital ook nog KBr. We hebben hier goede resultaten mee.

7. Bijzondere vormen van een aanval

Epilepsie is geen levensbedreigende situatie. Uw hond kan er nog steeds heel oud door worden. Het is wel belangrijk dat u als eigenaar op de hoogte bent van twee bijzondere vormen van epilepsie

  • Clustering
    Hierbij is er sprake van series aanvallen op één dag, die niet
    worden onderbroken door een herkenbare post-ictale periode.
  • Status epilepticus
    Dit is een aanval die langer dan enkele minuten aanhoudt,
    bijvoorbeeld een kwartier of nog langer.

Het zal duidelijk zijn dat bij een lang durende aanval of bij aanvalllen die elkaar in een snel tempo opvolgen de zuurstofvoorziening van de hersenen in gevaar komt en dat de lichaamstemperatuur te hoog kan oplopen. Men dient in dit
geval direct in te grijpen. Een dierenarts kan dan diazepam direct in de bloedbaan brengen om de aanval te stoppen.

Ook kan men via de anus het voor de mens ontwikkelde diazepam in de endeldarm brengen. In overleg met de dierenarts is het zelfs mogelijk dat u dit zelf toedient in noodgevallen. Tabletten diazepam kunnen beter niet tijdens een aanval gegeven worden, het is gevaarlijk en het zal niet helpen.

Clustering en status epilepticus komen vaak alleen bij bepaalde patiënten voor. Als men dan ruim van te voren een aanval ziet aankomen kan men in overleg met de dierenarts de dosering medicijnen gedurende een aantal dagen verhogen, zodra de verschijnselen zich voordoen.

8. Wat te doen bij een aanval

Doe zo weinig mogelijk tijdens een aanval!!

Een aanval die eenmaal begonnen is, kunt u niet meer stoppen. Probeer vooral niet in paniek te raken.

Het enige wat u kunt doen is ervoor zorgen dat de hond zich niet kan verwonden. Sommige eigenaars melden dat de hond agressief wordt tijdens een aanval. Dit wordt meestal veroorzaakt doordat de hond wordt vastgehouden. De hond maakt ongecontroleerde bewegingen, schudt met het hoofd, klappert met de kaken en dit alles onbewust. Men loopt dan de kans gebeten te worden als men probeert de kop vast te houden.

Ook het geven van medicijnen tijdens een aanval is gevaarlijk voor eigenaar en hond.